De tijdperken

Grofweg is het Kenozoïcum het tijdperk van de zoogdieren. Na dat de dinosaurussen uitstierven namen zij de macht op aarde over. Maar voor de oorsprong van de zoogdieren moeten we nog veel verder terug.
In het vroeg Carboon leefde de allervroegste voorouder van de zoogdieren. Dit was echter nog veel meer een reptiel dan een zoogdier. In het midden Perm onstonden de Cynodonten, half-reptiel half-zoogdier. En de echte zoogdieren ontstonden in het laat Trias.


Het Paleozoïcum (Het oude tijdperk.)
(Binnen het Paleozoïcum waren een aantal tijdperken, ik begin nu met het Carboon omdat daar de geschiedenis van de zoogdieren begint, in feite ging hier nog een hele tijd aan vooraf na het begin van het leven.)

Het Carboon (het steenkooltijdperk) 350 tot 280 miljoen jaar geleden.
in het vroeg carboon leefden er een familie reptielen, namelijk de familie der Synapsiden, en uit deze familie ontstonden verschillende onderfamilies: de Eothyrididen, de Varanopsiden, de Ophiacodontiden, de Edaphosauriden en de Sphenacodontiden. Uit die laaste groep, waar ook bijvoorbeeld Dimetrodon toe behoorde, ontwikkelden zich in het laat-Carboon de Dicynodonten. Dit waren allemaal nog reptielen, en smaken verschillen, maar ook nog eens behoorlijk lelijke reptielen. Uit de Dicynodonten echter, ontwikkelden zich de Cynodonten, en daarmee komen we al erg dicht bij de zoogdieren.

Het Perm (Genoemd naar een provincie in Rusland) 280 tot 240 miljoen jaar geleden.
In het begin van het Perm waren de oude familie van de Sphenacodontiden nog aan de macht, maar tegen het einde werden de Dicynodonten enorm succesvol, samen met enkele naaste families als de Gorgonopsiërs, de Therocephaliërs en de Cynodonten. De Dicynodonten waren de echte "zoogdierachtige reptielen", het waren de belangrijkste soort dieren tijdens het laat-Perm. Het waren meestal zware, logge beesten. Ze werden bejaagd door de Archosauriërs, dat waren reptielen die al lang geleden zich hadden afgespiltst. Ze waren familie van de reptielen die in het Mesozoïcum zouden heersen.
Tegen het eind van het Perm gebeurde er iets ongeloofelijks, de moeder aller uitroeiingen. Een gigantische uitsterving waarbij 95% van al het leven op aarde werd vernietigd. Hierbij vergeleken waren het uitsterven van de dinosaurussen, of de klimaatschaos aan het einde van het Eoceen maar incidentjes van twee keer niks. De geleerden staan voor een raadsel, al wordt aangenomen dat het uitsterven werdt veroorzaakt door wereldwijd zuurstofgebrek. Zowel op het land als in zee.

Het Mesozoïcum(Het midden-tijdperk.)

Het Trias (genoemd naar een gebergte in Duitsland.) 240 tot 200 miljoen jaar geleden
Pas 20 miljoen jaar na de ramp, in het midden-Trias, was de aarde weer tot rust gekomen. Tijdens de wederopbouw hadden twee opmerkelijke soorten zich ontwikkeld. De ene was een groep slanke, vleesetende reptielen, dit waren de voorouders van de Dinosauriërs. De tweede groep waren de Cynodonten, die meer en meer zoogdierachtige trekjes kregen. Afgezien van die twee veranderingen had het leven van voor de ramp zich weer hersteld. Nog steeds waren het de zoogdierachtige reptielen en de Archosauriërs die over de wereld heersten. Maar in het laat Trias werd het duidelijk dat hun dagen waren geteld. Tegen het einde van het Trias hadden de vroege Dinosauriërs de wereld overgenomen.

Het Jura (genoemd naar een gebergte in Frankrijk en Zwitserland.) 200 tot 135 miljoen jaar geleden.
Om zich tussen de nieuwe, formidabele reptielen staande te houden moesten de Cynodonten evalueren. De beste manier om dat te doen was ontwikkelen tot kleine, spitsmuisachtige diertjes, die zich goed konden verstoppen in holen of in bomen. De soorten die nu waren gekomen waren nu echte zoogdieren. Het Jura was het hoogtepunt van de Dinosauriërs, de zoogdieren wisten zich zo goed en kwaad als het ging te handhaven. De meeste waren insekteneters. In het Jura ontwikkelden zich de morganucodonten, een heel oude groep zoogdieren. Omdat hun fossielen bijna zelden worden gevonden weten we niet of ze zijn uigestorven of de voorouders zijn van de hedendaagse zoogdieren.

Het Krijt (genoemd naar de krijtrotsen, latijn: "Creta".) 135 tot 65 mljoen jaar geleden.

In het vroeg Krijt, eigenlijk het zelfde verhaal, de zoogdieren waren onopvallende muisachtige diertjes. In het laat Krijt echter begonnen de zoogdieren groter te worden, en ook groter in aantal. Er ontstonden nieuwe soorten, de verschillende families die we nu kennen zijn ontstaan in het laat Krijt. Onder andere: de buideldieren, de placentaire dieren (Afrotheria, Xenartha, Laurasiatheria en knaagdieren), monotremata en multituberculata. Ondanks deze verscheidenheid aan soorten waren het nog steeds allemaal ratachtige diertjes, die alleen wat verschillen hadden in leefgewoonten. Zo waren de multituberculata planteneters. Pas helemaal op het eind van het Krijt begonnen er zich wat verschillende vormen te ontwikkelen. Zo zag het buideldier Didelphodon er ongeveer uit als een wasbeer, en de insectivoor Leptictidium zag er uit als een minikangoeroe met een rattenstaart en een slurfje.
Deze vernieuwingen waren waarschijnlijk mogelijk doordat het hard achteruit ging met de Dinosauriërs. Waarschijnlijk is het uitsterven van de grote reptielen veroorzaakt door een combinatie van vulkanische activiteit, klimaatsverandering en met als klap op de vuurpijl een meteoriet van tien kilometer doorsnee. Die veroorzaakte een explosie waar de hiroshimabom bepaald u tegen zegt.

Het begin van een nieuw tijdperk:
Het Kenozoïcum(Het recente-tijdperk.)

Het Paleoceen ("oude" tijdperk.) 65 tot 56,5 miljoen jaar geleden.
Een periode waar weinig over bekend is, de aarde moest herstellen van de verwoestingen van de meteoriet. Als de Dinosauriërs er enkele duizenden jaren over gedaan hebben om uit te sterven zouden in dit tijdperk de laatste geleefd hebben. De zoogdieren moesten aan de slag om de verwoeste wereld over te nemen. In het paleoceen ontwikkelden zich hoefdieren, primaten, insectivoren en vroege roofdieren zoals creodonten.

Het Eoceen ("de dageraad".) 56,5 tot 35,4 miljoen jaar geleden.
Het Eoceen begon tien miljoen jaar na de meteorietinslag. De verwoestingen van de ramp waren tegen die tijd hersteld. Eoceen is een goede benaming want inderdaad was het voor de aarde een nieuw begin. Het Eoceen is een behoorlijk lang tijdperk, het duurde iets meer dan twintig miljoen jaar. Gedurende die tijd gebeurde er veel.
Tijdens het vroeg Eoceen was de aarde een hete broeikas, met een gemiddelde temperatuur van 27 graden was het nog nooit zo warm geweest op aarde. De zeespiegel was op z'n hoogst en regenwouden strekten zich bijna van pool tot pool uit. De zoogdieren waren sinds het dinosaurustijdperk wat groter geworden, maar niet zo veel. Het waren in die tijd over het algemeen kleine bosdieren, de grootste was niet groter dan een varken. In de dichte regenwouden hadden ze domweg geen ruimte om groter te worden. Behalve veel dieren die er vandaag de dag nog bijna het zelfde uitzien, zoals miereneters en vleermuizen, waren er ook dieren die volslagen anders waren. Sommige, zoals de Eohippus, waren dieren die later zouden evalueren tot dieren we nu beter kennen. De Eohippus was een paardje, zo groot als een kat, in de loop der tijd zouden ze groter worden. Anderen waren weer dieren die heel anders waren en volledig zijn uitgestorven, zoals de Leptictidia. Dat waren kleine insecteneters die nog uit het Dinosaurustijdperk stamden. In het vroeg Eoceen waren er al creodonten, primitieve roofdieren, maar in het regenwoud waren het destijds hele andere dieren die aan de top van de voedselketen stonden.
Diatryma was een twee meter hoge loopvogel, 500 kilo zwaar en had maar één hobby, op zoogdieren jagen. Sinds de meteorietinslag was het de vogels al net zo goed gegaan als de zoogdieren, maar zij hadden zich ontwikkeld tot toproofdieren. Vogels zijn de afstammelingen van de Dinosauriërs, dus je zou kunnen zeggen dat zij nog altijd over de wereld heersten. Ondertussen hadden sommige zoogdieren zich aangepast om in het water te leven. De fossielen van de eerste otterachtige walvissen stammen uit deze tijd. Pakistan schijnt de wieg van de walvissen te zijn geweest.

Deze isolatie zette een reeks gebeurtenissen in gang, waaronder het in de war sturen van de oceaanstromen. Dit had een klimaatschaos tot gevolg. Vanaf het midden Eoceen gebeurde er iets vreemds, na de ontzettende hitte in het begin koelde de aarde opeens snel af. Waarschijnlijk had dit iets te maken met het continent Antartica, dit was geisoleerd geraakt van de rest van de wereld en dreef naar de zuidpool.Het is soms wat moeilijk te begrijpen dat dieren kunnen uitsterven dankzij het weer, maar feitelijk is het weer de voornaamste factor die bepaald hoe de aarde er uitziet. Het veranderen van de oceaanstromen was een ramp voor vele dieren. Op plaatsen waar het normaal regenden werd het opeens droog, regenwouden veranderden in woestijnen, op de polen vormden zich ijskappen als gevolg van de dalende temperatuur. De bossen stierven af en maakten plaats voor open vlaktes. De dieren moesten zich aanpassen, of ze nou wilden of niet.
Sommige dieren konden zich niet aanpassen, en stierven uit. De vleesetende loopvogels verdwenen (Behalve in Zuid-Amerika.) net als veel kleine insectivoren. Al met al stierf 40% van al het leven uit. Degenen die zich wel wisten aan te passen leefden voort op de vlaktes. Op de met struiken begroeide vlaktes was het beter om groot te zijn, dus deden de zoogdieren hun best om te groeien. In het laat Eoceen hadden de eerste Brontotheren al de lengte van een olifant bereikt.

Het Oligoceen ("weinig" tijdperk.) 35,4 tot 23,3 miljoen jaar geleden.

In het Oligoceen was de wereld weer een beetje tot rust gekomen van de klimaatschaos. De oude soorten die zich niet aan de klimaatsverandering hadden kunnen aanpassen waren uitgestorven, en de nieuwe soorten begonnen zich te handhaven in een nieuwe wereld van open vlaktes. Tijdens het Oligoceen heersten de dieren voor wie groote belangrijk was. Nog steeds leefden de Brontotheren, en zij hadden gezelschap gekregen van Indricotheren, Chalicotheren en neushoorns. De roofdieren waren Mesonychiden en Creodonten, en ook zij hadden enorme grootes bereikt. En niet te vergeten de Entelodonten, de enorme aaseters.
Voor al deze dieren was het goed om groot te zijn. Niet alleen konden ze zich dan beter verdedigen tegen rovers, of konden de rovers juist beter hun prooi grijpen, ze konden ook langer zonder water of voedsel in barre tijden. Bijvoorbeeld in het droge seizoen.
Tijdens het Oligoceen stierven de multituberculata uit, een oude groep zoogdieren die uit het Krijt stamden.
Voordat we in het heden aankomen stonden er nog twee grote gebeurtenissen te wachten; de ijstijden en het ontstaan van het gras. Gras kunnen we tegenwoordig niet meer uit ons leven wegdenken, maar het is feitelijk iets van de laatste miljoenen jaren. Gras fossiliseerd niet zo goed, maar we denken dat de eerste grassen ontstonden ergens in het Oligoceen, 25 miljoen jaar geleden. In dat prille begin waren er nog niet veel dieren die zich met gras voeden. Gras is nou niet bepaald het voedzaamste en goed verteerbaarste voedsel, bovendien kwam het nog niet zo veel voor toedertijd en de dieren hadden nog geen tijd gehad om zich er aan aan te passen. Maar het zou niet lang meer duren voordat dat gebeurde.

Het Mioceen ("minder" tijdperk.) 23,3 tot 5,2 miljoen jaar geleden.

Een rustige tijd voor de aarde. Wellenswaar was het ontstaan van gras een enorme revolutie, maar er vonden geen rampen of kollosale klimaatsveranderingen plaats. In het Oligoceen waren de eerste graseters ontstaan. Dit waren er niet zo veel, en het waren maar kleine dieren, de hazen bijvoorbeeld. Maar deze kleine verandering zette een kettingreactie in gang. De nieuwe graseters waren snelle kuddedieren, veel hoefdieren die vroeger in het bos leefden hadden stevige poten ontwikkeld om het gras overal te volgen waar het opkwam. In het Mioceen stierven de bladeters uit en werden vervangen door graseters. De grote, robuste jagers zoals de Mesonychiden en Creodonten, die zich met de bladeters voeden verdwenen ook. In deze nieuwe wereld ging het om snelheid en bewegelijkheid. Om de snelle hoefdieren achterna te gaan ontstonden een nieuwe groep van snelle, slanke roofdieren: de Carnivora. Dit is de groep roofdieren die we nu kennen, de beren, katten en wolven zijn allemaal Carnivora. Tijdens het Eoceen waren de Carnivora kleine roofdieren die in bomen leefden.
Ook voor de dieren die geen gras aten, of op de graseters jaagden had deze groene revolutie consequenties. In het Mioceen ontstonden de eerste mensapen. Apen waren van oorsprong bomenklimmende dieren, maar in het Mioceen maakten de bossen plaats voor graslanden, en de apen die niet wegtrokken op zoek naar overgebleven woud rond de evenaar moesten zich aanpassen in een wereld waar ze meer tijd op de grond doorbrachten. In het Mioceen waren de veranderingen nog maar klein, De mensapen brachten nog steeds het grootste deel van hun tijd in de bomen door. Pas later zouden ze zich echt op de grond gaan thuisvoelen, wat resulteerden in de Hominiden, de rechtoplopende apen.

Het Plioceen ("meer" tijdperk.) 5,2 tot 1,6 miljoen jaar geleden
Aan het begin van het Plioceen zag de wereld er al ongeveer zo uit als we die nu kennen. De grote sterke dieren waren vervangen door kleine snellere. In dit korte tijdperk zette de grasrevolutie zich voort en de herbivore dieren perfectioneerden hun aanpassingen om het te eten, zoals de vier magen van een rund. In het Plioceen ontstond de Himalaya, doordat het eiland India tegen het vasteland aan beukte en zo de bergen vormde. De bergen hadden effect op het weer, de regen bijvoorbeeld werd niet naar Afrika vervoerd, zodat daar woestijn werd gevormd, maar bleef in Azië, zodat daar de moessons ontstonden. Het Plioceen is eigenlijk het staartje van het Mioceen, maar in één opzicht is het een belangrijk tijdperk. In het Plioceen onstonden de Hominiden, de rechtoplopende apen en onze voorouders.
Eigenlijk was het voor alle primaten een goede tijd, behalve de Hominiden leefden er ook veel andere mensapen zoals de Gigantopithecus en de Ramapithecus. De Hominiden ontwikkelden hun rechtopgaande gang omdat dit efficienter was in een savanne. In het open terrein is het als aap beter om op twee dan op vier benen te lopen.
Het Plioceen was een goede tijd om te leven, maar aan de horizon verschenen al de ijstijden, het donkere Pleistoceen stond voor de deur.

Het Pleistoceen ("meest" tijdperk.) 1,6 miljoen tot 15.000 jaar geleden.

Al 50 miljoen jaar lang werd het op aarde kouder, en de ijstijden vormen hiervan het hoogtepunt. Tijdens het Pleistoceen zijn er 20 cycli geweest waarin de ijskappen op de polen de wereld overspoelden. In het begin waren de ijstijden niet zo lang en hevig, maar gaandeweg kwamen er ijstijden van honderdduizend jaar of meer lang. Het koste de zoogdieren veel moeite om zich hier aan aan te passen, maar het had niet veel uitstervingen tot gevolg. De ijskappen kwamen in Europa, noord Azië en Noord-Amerika, de rest van de wereld was ook flink frisjes vergeleken met vroeger, maar de dieren van nu zouden er geen moeite mee hebben. Rond de evenaar waren nog altijd regenwouden, al waren ze kleiner dan ooit. In deze tijd ontwikkelden zich alle ijstijddieren, de mammoet, de wolharige neushoorn en de Megaloceros om er maar wat te noemen. Behalve de ijstijddieren was er tijdens het Pleistoceen nog een groep dieren die absoluut spectaculair waren. De meeste gebieden op aarde waren zoals we ze tegenwoordig kennen, behalve Zuid-Amerika. Daar leefden in het Pleistoceen de meest vreemde dieren zoals Megatherium, de reuzenluiaard, Doedicurus, een enorm gordeldier en Phorusrhacos, een drie meter hoge vleesetende loopvogel.
Het einde van de laatste ijstijden luiden een laatste grote ramp in, ongeveer 20.000 jaar geleden eindigde de laatste ijstijd en onderzoek naar het ijs op Groeland heeft uitgewezen dat het eindigen van ijstijd binnen enkele tientallen jaren kan gebeuren. Veel dieren konden een snelle klimaatsverandering niet aan en stierven uit, de mammoet, de wolharige neushoorn, de Megatherium en de anderen waren de laatste die uitstierven voor het tijdperk van de mensen.

Het Holoceen ("voledig" tijdperk.)
Het Holoceen zijn de laatste 15.000 jaar voor het heden.