De zoogdieren mogen dan wel nog steeds de wereld overheersen, de zoogdieren van nu zijn wel een beetje anders dan die van toen. Vergeleken met het dinosaurustijdperk, waarin het weer en het landschap 150 miljoen jaar lang amper veranderden, hebben er in het tijdperk van de zoogdieren enorme veranderingen plaatsgevonden. Klimaatsveranderingen, woestijnvorming, de opkomst van het gras, het ontstaan van de Himalaya en de ijskappen op de polen en met als toetje de ijstijden hebben de afgelopen 65 miljoen jaar de aarde ingrijpend veranderd. De zoogdieren hebben zich aan dit alles moeten aanpassen, en hoewel er een aantal families zijn uitgestorven hebben de meeste zoogdieren alle rampen en verandringen overleefd. Aanpassingsvermopgen is trouwens altijd al de grote kracht van de zoogdieren geweest. Immers, als je een ramp die de dinosauriërs deed uitsterven kan overleven kun je alles wel aan. En inderdaad is het Kenozoïcum vergeven van de succesverhalen. De walvissen bijvoorbeeld, die binnen 10 miljoen jaar zich wisten te veranderen van kleine spitsmuisachtige diertjes in de grootste dieren die ooit op aarde hebben geleefd. De pooldieren, ijsberen en walrussen die het bij -30 nog warmpjes voor de tijd van het jaar vinden. Zoogdieren die op de gekste plaatsen hebben leren leven zoals mollen onder de grond en vleermuizen die hebben leren vliegen. En niet te vergeten wijzelf, die binnen 4 miljoen jaar van een in de bomen rondslingerende aap in een internetsurfer zijn veranderd.
En daarom is het zo gek dat bijna niemand iets weet over deze spectaculaire tijd. Alle aandacht gaat naar de dinosauriërs,
omdat die net iets groter en vreemder zijn. De mammoet, de sabeltandtijger en de neanderthaler mogen dan nog wel bekend in de oren
klinken, maar dat is het dan ook wel.
In de 19e eeuw waren het juist de zoogdieren die alle aandacht kregen. De dinosauriërs
waren toen nog tamelijk onbekend, men wist niet precies hoe ze er uitzagen en hoe ze zich zouden hebben gedragen. Bij de zoogdieren
wist men wel ongeveer hoe ze geleefd zouden hebben, aangezien hun afstammelingen vandaag de dag nog leven kon men aan de hand
daarvan ze bestuderen. Tussen 1800 en 1870 waren het de mammoet en de Megatherium die in de musea pronkten. Er was zoveel vraag naar
skeletten van grote zoogdieren dat een Megatheriumskelet bijvoorbeeld een museum een paar keer het jaarbudget koste.
Wat weer dubbel
werd terug verdient door de grote aantallen bezoekers.
Maar in het begin van de 20ste eeuw begonnen de dinosauriërs naar voren te dringen, en al gauw kregen zij de beste plekjes
in het museum. In het boek "The Lost World" van Sir Arthur Conan Doyle, dat uit 1912 stamt, kwamen ook veel oude zoogdieren voor,
maar de dinosauriërs hadden duidelijk de hoofdrol.
Tegenwoordig zijn het nog steeds de dinosauriërs die de hoofdrol spelen, terwijl de zoogdieren onder het tapijt zijn geveegd. Zou je Steven Spielberg bij het maken van de Jurrasic Park kaskrakers hebben gevraagd: komt er misschien ook een Andrewsarchus in voor? Dan had hij misschien geantwoord: Andrewwatte? Sorry, daar kan ik geen oscar van maken...
Doodzonde, want de zoogdieren waren minstens zo spectaculair als de dinosaurussen. Neem nou de Hyaenodon, een soort hyena die zo groot
als een neushoorn werdt. Of de Entelodon, een reusachtig vleesetend zwijn dat woester en bloeddorstiger was dan welke dinosaurus
dan ook.
De BBC heeft gelukkig het tijdperk van de zoogdieren laten herleven met hun schitterende tv serie Walking with Beasts, als je nog twijfelt
of de zoogdieren wel boeiend en spectaculair waren moet je Walking with Beasts maar eens bekijken.
