Harpagornis moorei


Een reuzenarend, deze roofvogel leefde tijdens het Pleistoceen in South Island, het zuidelijke deel van Nieuw-Zeeland. Met een gewicht van 20 kilo en een spanwijdte van 2 meter 60 is het de grootste arend ooit.
In de tijd dat Harpagornis leefde was South Island bedekt met bossen, en de vogel had dan ook korte, brede vleugels ontwikkeld om zijn grote lijf tussen de bomen en takken te manoeuvreren. Hij zeilde niet door de lucht zoals gieren, maar flapperde actief door de bossen. Nog groter dan de roofvogel zelf was zijn prooi, Harpagornis' voornaamste prooi waren de moa's, de niet-vliegende reuzenvogels van Nieuw-Zeeland. De grootste moa's wogen wel 200 kilo, maar ze waren door hun traagheid, kleine koppen en lange nekken kwetsbaar voor een aanval vanuit de lucht. Skeletten van moa's laten klauwafdrukken zien op de rug en bekken. Harpagornis' klauwen waren zo groot als die van een tijger, en ze werden waarschijnlijk gericht op de hals van de moa. De klauwen drongen door veren, huid en bot, en zelfs al zou de aanval niet het beoogde resultaat hebben, dan kon Harpagornis weer naar boven ontsnappen en een tweede poging wagen.
De reden dat Harpagornis op zulke grote prooien joeg is omdat hij de grootste vleeseter in dat gebied was. Hedendaagse roofvogels jagen alleen op prooien die klein genoeg zijn voor de vogel om in een boom te tillen, omdat anders terwijl ze eten grotere roofdieren de buit zouden kunnen grijpen. In South Island echter was het grootste roofdier buiten de vogels de brughagedis, die hooguit 1 kilo en meestal minder weegt. Harpagornis was in South Island de toppredator, en kon doen en laten wat hij wilde.